Standpunten

VISIETEKST “BRUSSEL”

Deze tekst is in papieren versie te verkrijgen op simpel verzoek

Inhoud

Brussel ons oerwoud

Wie de paradox niet schuwt, wie van het ongerijmde houdt, wie niet bang is voor het absurde, die kan van Brussel houden: in liefde en in haat, met vertedering en in ergernis, met een gevoel van welbehagen en van onbehaaglijkheid.

Eric De Kuyper geeft in ‘Een passie voor Brussel’ dezelfde ambigue houding weer die als een rode draad loopt doorheen de 24-jarige werking van de Louis Paul Boonkring. De titels van tal van activiteiten spreken voor zich : “Gemengde gevoelens”, “Brussel, hoofdstad ook woonstad?”, “Pronken met façadisme”, “ De laatste der Vlamingen in Brussel”, “De achterkant van de cultuurstad”, “Brussel à charge & à décharge”… en in 1999 vroegen we het Ensemble Leporello om de verhalenbundel van Louis Paul Boon “Brussel een oerwoud” theatraal te bewerken.

Brussel ons oerwoud, verwoeste stad, met haar chaotische architectuur, maar tegelijk fascinerend door de wirwar van culturen. We hebben er ernstige colloquia aan gewijd, seminaries met professoren en ministers. We hebben de stad vol geplakt met affiches omdat de stilte rond de culturele hoofdstad 2000 oorverdovend was. We hebben met Franstaligen rond te tafel gezeten om beider standpunten over Brussel beter te begrijpen. We hebben het voortouw genomen van de actie “extreem rechts neen bedankt” om de zwarte opgang ook in Brussel tot stand te brengen. En ieder jaar hebben we met andere cultuurgemeenschappen “vreemd gespijsd”.

Waar staan we vandaag met Brussel ? En vooral: welk Brussel willen wij voor de toekomst ? In dit pamflet geven we een voorzet. Het is geen eisenbundel voor onmiddellijk gebruik en zeker geen testament, het is een uitnodiging voor debat en reflectie over de toekomst van ons geliefde en vervloekte Brussel, onze thuisbasis.

Een mobiliserend stadsproject

Brussel heeft behoefte aan een duurzaam en ambitieus stadsproject dat in samenspraak met de bewoners en alle actoren van de stad tot stand komt. Het wonen in de stad en de opwaardering van de achtergestelde buurten moeten hierbij prioritair zijn. Na jaren prioriteit voor kantoren en prestigeprojecten is het nu aan de bewoners om centraal te staan in de stadsontwikkeling.

Toen in 1989 na een jarenlang verblijf in de institutionele koelkast (waardoor de op winst beluste bouwpromotoren vrij spel hadden) het Brussels gewest eindelijk haar eigen politieke instellingen kreeg, waren de verwachtingen hoog gespannen. De eerste jaren waren hoopgevend: er kwam een wettelijk kader voor ruimtelijke ordening en stedenbouw, een Gewestelijk Ontwikkelingsplan, een afvalstoffenplan, enz. Maar dan volgde de ontnuchtering: de dynamiek en het voluntarisme die Picqué I kenmerkten, verdwenen totaal. Sinds 1995 voeren de Brusselse regeringen een donkerblauwe koers met achtereenvolgens Hervé Hasquin, Jacques Simonet, Xavier de Donnea en Daniël Ducarme als weinig begeesterende boegbeelden.

De gevolgen zijn duidelijk : afwijkingen aan het bestemmingsplan worden met de regelmaat van een klok toegestaan, telkens bouwpromotoren en financiële groepen (gesteund door hun politieke vrienden) een nieuw prestigeproject indienen. Beleidsconcepten die verder gaan dan dagjespolitiek als duurzame ontwikkeling en internationale solidariteit komen in het Brussels Gewest nauwelijks van de grond. Ontwikkelingssamenwerking komt zelfs niet voor in de lijst van ministeriële bevoegdheden. Een grootstedelijk mobiliteitsbeleid om het toenemende autoverkeer aan banden te leggen, dat in steeds meer Europese steden tot stand komt, is al even ver te zoeken. Ook ontbreekt het aan politieke wil om de duale ontwikkeling van de stad daadwerkelijk tegen te gaan.

Intussen blijkt dat de rijkdom, die mede dankzij de internationale functie en de Europese aanwezigheid in Brussel gegenereerd wordt, aan heel veel Brusselaars voorbij gaat. Brussel zit met een herverdelingsprobleem, waarbij de best-verdienenden het minst (of niet) bijdragen aan de solidariteitsmechanismen van de regio. Hoe kan je anders begrijpen dat het Brussels gewest tegelijkertijd de tweede rijkste regio van Europa is en tegelijkertijd een plaats vindt in de lijst van regio’s met de laagste graad aan tewerkstelling in Europa? Hoe verklaar je anders dat in het Brussels gewest meer dan 26 % van de bevolking tot 65 jaar leeft in een gezin zonder betaald werk? Of dat in de tweede rijkste regio van Europa 22% van de inwoners leven in gezinnen waar men in het voorbije jaar noodzakelijke gezondheidszorgen om financiële redenen heeft moeten uitstellen? Symbool voor deze dualiteit is wellicht het feit dat Europese ambtenaren dankzij het gemeentelijk stemrecht wel kunnen meebeslissen over de opcentiemen, maar deze zelf niet betalen; terwijl niet Europese burgers wel bijdragen aan de herverdelingsstelsels, maar niet eens hun stem mogen uitbrengen en er dus ook niet over mogen meebeslissen.

Het naast elkaar bestaan van de 19 gemeenten, zonder gestructureerd overleg, blijft een geïntegreerd gewestelijk stadsproject verder in de weg staan. Eén lichtpunt vormen de wijkcontracten, waar in overleg met de bewoners aan geïntegreerde wijkontwikkeling wordt gedaan. Maar verder dan dat gaat bewonersparticipatie niet in dit gewest. Alle mooie democratische principes vallen weg bij grote projecten zoals de Europese vestigingen of de buurt rond het Zuidstation.

Recht op menswaardig wonen

Het aantal sociale huurwoningen moet drastisch omhoog. Dit moet voor de komende jaren een absolute prioriteit worden in het beleid van het Brussels Gewest. In de huurwet moeten mechanismen worden opgenomen om de huurprijzen te beheersen. De Brusselse huisvestingscode moet een instrument zijn voor de bescherming van de huurder, de aanpak van huisjesmelkers en een betere controle van de kwaliteit van de woningen.

Hoewel we in de loop der jaren met de Louis Paul Boonkring diverse stedelijke problemen (monumentenzorg, illegale arbeid, de openbare dienstverlening, de Europese vestigingen…) hebben aangepakt, willen we in dit manifest één thema op de voorgrond plaatsen omdat de situatie er ronduit catastrofaal kan worden genoemd: de Brusselse huisvestingsmarkt.

Enkele cijfers: Binnen de huidige normen komen 200.000 Brusselse gezinnen in aanmerking voor een sociale woning, het aantal sociale woningen bedraagt echter maar 8 % van totale woningbestand; op de wachtlijsten van de huisvesting-maatschappijen staan momenteel 22.000 mensen. Een gemiddelde huurder besteedt in dit land 25 % van zijn inkomen aan huishuur, zonder de kosten van verwarming, elektriciteit enz. Bij de lage inkomenscategorieën (in Brussel massaal aanwezig) stijgt dat tot de helft van het inkomen. En dan hebben we het nog niet over de lamentabele toestand van deze woningen. Daarenboven telt het Brussels gewest zowat 30.000 leegstaande woningen.

De huisvestingscode die onlangs werd goedgekeurd levert een aantal instrumenten om de huurder te beschermen tegen de praktijken van de huisjesmelkers, maar het is nog wachten op de concrete toepassing.

Een complexloze relatie met Vlaanderen

Het wordt tijd dat de relatie Vlaanderen – Brussel niet meer uitsluitend door complexen wordt bepaald. Dat de Vlaanderse Vlamingen Brussel benaderen als een grootstad waarvoor de Vlamingen mee verantwoordelijkheid dragen en niet als een te veroveren slagveld. En dat de Brusselse Vlamigen ophouden zichzelf zo bijzonder te beschouwen en niet ieder beleidsvraagstuk reduceren tot een vraag om extra middelen.

Sedert het einde van de jaren tachtig organiseerde de Louis Paul Boonkring verscheidene seminaries over de positie van de Brusselse Vlamingen en de relatie met Vlaanderen. Uitgangspunt was dat de institutionele band met Vlaanderen voor de Brusselse Vlamingen de enige garantie vormt om als volwaardige gemeenschap te overleven.

Ondertussen zijn we, zoals de meeste Vlaamse Brusselaars, meer en meer verbrusseld en primeert onze stedelijke Brusselse identiteit. Dat betekent echter in geen geval dat wij geen belang meer hechten aan onze taal- en cultuurgemeenschap met Vlaanderen en nog minder dat wij niet meer zouden opkomen voor onze taalrechten in Brussel.

Hoe belangrijk wij de band met Vlaanderen ook vinden, hoe krampachtiger deze relatie blijft. De meeste Vlaamse bewindsvoerder beschouwen Brussel vrijwel uitsluitend communautair, als een vreemd lichaam dat moet ‘veroverd’ worden met sloganeske promotiecampagnes of waar men zich angstvallig verschuilt in een Vlaams café op het Martelaarsplein. En de meeste Vlaamse Brusselaars gedragen zich doorgaans als Calimeros die vanuit hun ‘specificiteitsdenken’ ieder kwaliteitsdiscussie vernauwen tot de eeuwige vraag om ‘bijkomende middelen’.

De VGC : minder ministerie meer dynamiek

Nieuwe bezems moeten dringend het stof van de VGC vegen. Naast het gemeenschapsaspect moet het grootstedelijke de kern vormen van het VGC-project voor Brussel. De administratie moet zich minder met het terreinwerk bemoeien en vooral ondersteunend en stimulerend optreden. De VGC moet het verbindingsteken vormen tussen de Brusselse gemeenten, de Vlaamse Gemeenschap en de hoofdstedelijke instellingen. Bij de beleidsvoorbereiding moet het middenveld op een dynamische wijze worden betrokken.

In 1988 organiseerde de “Werkgroep Progressief Cultuurbeleid” (een forum van progressieve Vlaams-Brusselse verenigingen op initiatief van de Louis Paul Boonkring) een colloquium over de nieuwe Brusselse instellingen. Van de nieuwe Vlaamse Gemeenschapscommissie werd veel verwacht. De VGC, vervanger van de zieltogende NCC, moest voor een nieuwe dynamiek voor de Vlaamse aanwezigheid in Brussel zorgen. Tegen de ontwerp-Brusselwet in pleitte de Werkgroep er voor om de VGC-administratie niet in de gewestadministratie te incorporeren.

Zoveel jaar later moeten we vaststellen dat deze verwachtingen niet zijn ingelost. Jazeker, er ontstond een breed net van Vlaamse voorzieningen in de culturele, welzijns- en onderwijssector, maar de VGC zelf kreeg meer en meer het profiel van een doodgewoon ministerie. Voor de doorsnee Brusselse Vlaming het ministerie waar men voor subsidieaanvragen naar toe moet. Dit zou op zich nog niet zo erg zijn, ware het niet dat de VGC-administratie (daarin lijdzaam gevolgd door het college) zich ook geroepen voelde om het hele sociaal-culturele werkveld te gaan sturen. Intermediaire organisaties als APSW en ANBJ werden buitenspel gezet, de culturele werkers werden ambtenaren.

Zoals bij het Gewest ontbreekt het de VGC aan een mobiliserend politiek project. Elke relatie met wat niet tot de eigen instelling behoort, verloopt krampachtig en zonder visie : met de 19 Brusselse gemeenten, met de Vlaamse Gemeenschap, met de Franstalige instellingen en met het stedelijk middenveld. De inspraak van de bevolking is blijven hangen in de jaren zeventig met adviesgroepen die op een zeer traditionele leest zijn geschoeid.

De toekomst van Brussel is multicultureel

De multiculturele realiteit van Brussel moet op het terrein worden vertaald in meertalige en interculturele initiatieven. De twee grote taalgemeenschappen moeten hiervoor de wettelijke en financiële voorwaarden scheppen. Pas dan kunnen we kunnen we spreken van een echte Brusselse gemeenschap.

Hoewel de Franstalige goegemeente het anders wil voorhouden, vormt geen enkele cultuurgemeenschap de meerderheid in Brussel. Brussel is een lappendeken van talen en culturen. Zo maakt bijvoorbeeld slechts de helft van de Brusselse jongeren deel uit van een homogeen ééntalig gezin. Toch blijven meertalige cultuur-evenementen (zoals de LP Boonkring er enkele op haar actief heeft met het meertalig boek “Louis Hap, verhaal van een straat”, de Suite Jourdan Suite, enz.) in deze multiculturele stad eerder uitzondering dan regel. De subsidiërende overheden weten er gewoon geen weg mee. Het cultuurbeleid blijft volledig opgesloten in Vlaamse en Frantalige instellingen. Daar waar jaren geleden snelle veranderingen werden verwacht, is de sociologische realiteit veel taaier.

De groep rond Dieter Lesage en het “Manifesto” ziet alle heil in de oprichting van een “Brusselse gemeenschap” die het geheel van de communautaire bevoegdheden in één instelling zou verenigen. Hoewel ook wij pleiten voor meer multiculturele samenwerking, betwijfelen we dat door de oprichting van een Brusselse Gemeenschap de mentaliteit van de Brusselse beleidsverantwoordelijken plots zal veranderen.

Institutionele hervormingen hebben maar kans op slagen als ze een algemene trend met een breed maatschappelijk draagvlak volgen. Vermits de maatschappelijke realiteit in Brussel er nog steeds één is van gescheiden culturele circuits, lijkt het ons meer aangewezen om (als tussenstap) eerst op het terrein de schotten tussen de cultuurgemeenschappen te slopen. Er was natuurlijk Brussel 2000 en er is nog steeds de Zinneke Parade, maar veel permanente vormen van multiculturele samenwerking tref je nog niet aan. Daaraan moet eerst gewerkt worden alvorens nieuwe instellingen te creëren.

Stop minder geld in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel

Hoe vaak hoor je niet hetzelfde verhaal: te weinig middelen, te weinig dit, te weinig dat… Alsof het enkel daar zou wringen. Integendeel: meer van het bestaande, lost niets op. Anders en beter.

We weten ondertussen wel dat steeds minder Nederlandstalige kinderen school lopen in Brussel, terwijl het aantal Franstalige autochtonen en allochtonen nog toeneemt. Deze evolutie bekommert zowel ouders als leerkrachten. Onder druk van deze evolutie en door het uitblijven van een beleid ten gronde, komen scholen in nood. Door directies, leerkrachten en ouders worden allerlei, vaak ad hoc, aanpakken bedacht die, ondanks de beste intenties, als effect hebben dat anderstaligen worden geproblematiseerd en gestigmatiseerd. Deze beweging wordt versterkt door het vrij algemeen aanvoelen dat de aanwezigheid van anderstaligen een bedreiging vormt voor het Vlaamse karakter van de Nederlandstalige scholen. De huidige discussie over het inschrijvingsbeleid in Brussel is er weer een staaltje van.

Over de remedie zijn de meningen ten zeerste verdeeld. Er zijn er die pleiten voor het radicaal weigeren van anderstaligen. Anderen zijn genuanceerder: ze stellen dat niet de leerlingen, maar hun gebrekkige kennis van het Nederlands de kwaliteit van het onderwijs in gevaar brengt. Vanuit die bekommernis pleiten ze voor het stellen van taaleisen aan de ouders. Deze houding motiveert sommige leerkrachten/scholen om niet-Nederlandstalige kinderen te verbieden hun moedertaal te spreken. De redenering achter deze toch wel draconische maatregel is dat ze daardoor meer Nederlands leren.

‘Trop is teveel’ is het algemeen aanvoelen van de Nederlandstalige Brusselse scholen en wat kan er dan aan gedaan worden? Er zijn meer middelen voor Nederlandstalige scholen in Brussel; er is heel wat ondersteuning en de soepelheid is er. En toch lijken deze oplossingen het probleem niet te veranderen, integendeel.

Het probleem is dus niet of, beter gezegd niet alleen, een zaak van teveel anderstaligen in de klas of de school, het is evenzeer een probleem van coherent en doordacht complementair onderwijsbeleid van de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschapscommissie met betrekking tot de Brusselse sociaal-culturele realiteit.

Het oorspronkelijk doel van het beleid was een kwaliteitsvol onderwijs te bieden voor Nederlandstaligen in Brussel zodat de verfransing zou worden stopgezet en de Vlamingen hun positie konden versterken. Intussen is de positie van de Vlamingen in België sterk veranderd: van een economisch-cultureel bedreigde groep naar een welvarende en zelfbewuste groep. Tegelijk kan worden vastgesteld dat de doelstellingen van het onderwijsbeleid kwalitatief en kwantitatief zijn bereikt. Als men het aantal Brusselse Nederlandstaligen als referentie neemt, dan is er zelfs een teveel aan scholen.

Onze visie is dat de Vlaamse minderheid in Brussel via haar onderwijs een meerwaarde kan bieden. Vlamingen zijn een rijke minderheid die via een wervend meertalig en multicultureel onderwijsproject een bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van de Brussele samenleving. We denken daarbij specifiek aan een expliciet beleid gericht naar allochtone groepen. Allochtonen zijn merendeels aangewezen op het Franstalig onderwijs, dat op zich niet in staat is om deze sociale opdracht alleen te klaren. Door een deel van deze opdracht ook tot de hare te rekenen, wordt een solidariteit opgebracht die de Vlaamse minderheid in Brussel op lange termijn ook ten goede kan komen.

Om dit (Vlaamse) project hard te maken, kan niet langer worden uitgegaan van de absolute ééntaligheid van het onderwijs. Naast het Nederlands zouden ook andere talen een plaats moeten krijgen en zou het Nederlandstalig onderwijs moeten evolueren naar een meertalig onderwijs, met het Nederlands als basistaal.
Gezien de omkaderingsnormen in het Brussels basisonderwijs tot de meest gunstige in Europa horen, heeft pleiten voor betere omkadering maar zin als de bestaande middelen optimaler worden besteed. Momenteel ontbreekt het aan een dergelijk optimaliserend en toekomstgericht beleid. In dat beleid moet ernstig worden overwogen of het niet wenselijker is te investeren in minder, maar betere en ook grotere basisscholen (qua infrastructuur) in die wijken waar er een sociale behoefte bestaat (met voorkeur voor allochtone groepen).

Tenslotte vragen we dat er werk zou worden gemaakt van een experiment ‘meertalig onderwijs’. Dat traject zou met een kleine groep scholen kunnen beginnen. Op geregelde tijdstippen zouden nieuwe scholen de kans moeten krijgen in het experiment te stappen. Dat experiment zou inhouden dat de basisschool vakken via drie talen aanbiedt. Basistaal is en blijft het Nederlands, de tweede taal is een allochtone taal uit de migratie, derde taal is het Engels, Frans of Duits. Doelstelling is het afleveren van meertalige leerlingen aan het eind van het basisonderwijs. Scholen in kansarme wijken krijgen hierbij voorrang. Ons voorstel komt er op neer dat er op termijn in het Nederlandstalig onderwijs twee onderwijstrajecten worden aangeboden: een verbeterde versie (1) van het bestaande onderwijs, waar het onderwijs in het Nederlands en het Frans meer kan worden gedifferentieerd in functie van de behoeften van de leerlingen en een meertalig onderwijs (2) in drie instructietalen.

Een kwalitatieve democratie

Om te komen tot een duurzame stadsontwikkeling die de levenskwaliteit van alle Brusselaars bevordert, is de deelname van de bewoners aan het beleid een basisvoorwaarde. Deze betrokkenheid neemt ook de voedingbodem weg voor extreem rechtse en rechts populistische partijen. Het succes van rechts is immers recht evenredig met de zwakte van de democratie. Bewonersparticipatie en overleg met alle actoren van de stad – niet enkel over hondendrollen en straatinrichting, maar ook over fundamentele beleidszaken als het jaarlijks budget – moeten meer kansen krijgen. En bovenal: het stemrecht voor migranten moet er onmiddellijk komen !

Hoewel de gemiddelde Brusselaar weinig blijk geeft van xenofobe gevoelens, vinden ook in deze stad extreemrechtse en rechts populistische denkstromingen een ruime voedingsbodem. Het succes van de extreem rechtse partijen (gelukkig tanend) is in Brussel, zoals elders, in grote mate te wijten aan het veiligheidsdiscours dat de media en de politieke scène beheerst. Ook het ontbreken van een kwalitatieve democratie, waarbij de burger niet enkel gevraagd wordt om af en toe een bolletje rood te kleuren maar voortdurend betrokken wordt bij de beleidsvoorbereiding, speelt hierin een grote rol.

Men kan moeilijk beweren dat Brussel een toonbeeld is van participatieve democratie De meeste gemeenten blijven baronieën van lokale potentaten, de VGC is bij haar adviesraden van de jaren zeventig blijven steken en voor het Gewest moet bewonersparticipatie nog uitgevonden worden. De ‘wakkere burger’ van de jaren tachtig is blijkbaar aan de hoofdstad voorbij gegaan. De rechtstreekse verkiezing van de burgemeesters zal daaraan niets verhelpen, integendeel. En het ergste van al : ruim een derde van de Brusselaars mag zelfs niet stemmen omdat hij allochtoon en geen EU-burger is.